Kenia heeft een oppervlakte van 569.259 km² (14 keer Nederland en 18,5 keer België) en telt 39 miljoen inwoners (2009). Ongeveer 70 procent van de bevolking woont in het zuidwesten, in de omgeving van het Victoriameer, in Nairobi en in de hooglanden. Driekwart van de bevolking leeft van de landbouw en visserij; belangrijke gewassen zijn thee, maïs, koffie, suikerriet bonen en rijst. Thee is het belangrijkste exportgewas en brengt samen met het toerisme de meeste buitenlandse valuta in kas.
Gedreven door een gebrek aan landbouwgrond, de hoop op werk en een hoger inkomen trekken veel mensen van het platteland naar de stad, met als gevolg dat er steeds meer sloppenwijken komen. Omdat de bevolking in de steden zich steeds meer met elkaar vermengt, gaan oude tradities hier verloren. Onder jongeren wordt dat proces nog versterkt door westerse invloeden. Zelfs in de verste uithoeken van het land kom je westerse producten tegen en hoor je westerse muziek.
De Keniaanse bevolking groeit met ongeveer 2,7 procent, maar mede door het grote aantal mensen met aids is de levensverwachting laag (gemiddeld 55 jaar). Ruim 40 procent van de bevolking is jonger dan 15 jaar (in Nederland 18 procent) en veel kinderen (naar schatting 40 procent) moeten op het land werken. Dit is in strijd met de rechten van het kind en het belet hen naar school te gaan, maar toch zijn zij beter af dan diegenen die al bedelend hun kostje op straat moeten zien te verdienen. Desondanks is het aantal mensen dat kan lezen en schrijven hoog, namelijk 85 procent.
De Keniaanse bevolking bestaat uit zo’n zeventig etnische bevolkingsgroepen die zich vooral onderscheiden door hun taal. De drie belangrijkste taalgroepen zijn de Bantoe-sprekenden zoals de Kikuyu (22 procent), Luyia (14 procent) en Kamba (11 procent); de Niloten zoals de de Luo (13 procent), Kalenijn (12 procent) en Maasai (1,6 procent) en de Koesjitische volken (3 procent). Daarnaast wonen er Aziaten, Europeanen en Arabieren, die samen ongeveer 1 procent van de bevolking uitmaken. Hoewel beperkt in aantal spelen zij een belangrijke rol in de Keniaanse economie; ze bezitten de meeste bedrijven of bekleden hoge posities in het bedrijfsleven. De strijd om land is al eeuwenlang een conflict tussen de verschillende etnische groepen, met name tussen veehouders en akkerbouwers.
De Maasai zijn wellicht het alom bekendste volk van Oost-Afrika. Ze leven met hun kuddes (koeien en geiten) in Zuid-Kenia en Noord-Tanzania en zijn te herkennen aan hun felrode of felblauwe toga-achtige gewaden. Voor dit nomadenvolk betekent een grote veestapel welvaart. Op plaatsen waar voldoende water en gras is, bouwen ze lemen dorpen. De laatste decennia blijven steeds meer Maasai op een vaste plek wonen, vaak aangemoedigd door de regering, zodat de kinderen naar school kunnen gaan. Omdat ze voortdurend onderweg zijn, bestaat hun traditionele voedsel uit runderbloed en melk. In de Maasai-cultuur spelen leeftijdsgroepen een belangrijke rol. Iedere overgang naar een nieuwe leeftijdsfase vindt plaats met ceremonies. Hoe het leven van een Maasai-man eruit ziet, staat daarmee al van tevoren voor een groot deel vast. In de kindertijd (Inkera) leren jongens vanaf hun vijfde jaar hoe ze op het vee moeten letten. In de puberteit worden zij besneden en treden ze toe tot de krijgers (Ilmoran). Morans mogen niet trouwen, maar vriendinnetjes (onbesneden meisjes) zijn wel toegestaan. Als de morans rond de 25 jaar zijn, ondergaan zij opnieuw een ceremonie en treden zij als junior ouderlingen toe tot de Ilpayiani. Jaren later vindt de laatste ceremonie plaats, die hen van junior tot senior ouderlingen maakt. Al het dagelijkse werk, waaronder het bouwen van huizen, wordt gedaan door de vrouwen. Meisjes blijven bij hun moeders wonen tot ze trouwen.
De Samburu leven in Noord-Kenia en zijn verwant aan de Maasai. Qua taal en uiterlijk lijken deze twee volkeren dan ook erg veel op elkaar. Net als bij de Maasai spelen leeftijdsgroepen bij deze stam een belangrijke rol.
De Swahili leven in het kustgebied. Zij vormen niet zozeer een volk alswel een verzameling van stammen waarvan taal en cultuur sterk beïnvloed zijn door Arabieren, Indiërs en de Portugezen. Langs de Afrikaanse oostkust bevonden zich eeuwenlang belangrijke handelscentra, zoals Lamu, waar deze culturen zich konden vermengen. Het woord Swahili is afkomstig uit het Arabische ‘sawa hili’, dat ‘van de kust’ betekent.